Top
Wonden – Jan Schouten
fade
259
post-template-default,single,single-post,postid-259,single-format-standard,eltd-core-1.0,flow-ver-1.3,,eltd-smooth-page-transitions,ajax,eltd-blog-installed,page-template-blog-standard,eltd-header-type2,eltd-sticky-header-on-scroll-up,eltd-default-mobile-header,eltd-sticky-up-mobile-header,eltd-dropdown-default,wpb-js-composer js-comp-ver-4.9.2,vc_responsive

Wonden

Wonden

Hij heette Menno. Wij noemden hem de etter.
Het was mijn beurt om te rijden en nadat ik de twee andere tennisvrienden had afgezet zat ik alleen met hem in de auto.
Menno kluifde aan een Mars. Toen hij klaar was likte hij zijn vingers af. Daarna gooide hij de wikkel op de grond.

De etter dus. Een invaller.


Onze vaste tennismaat die zich moest afmelden had hem als volgt beschreven:’die jongen heet Menno. Heeft in de Randstad met huisjes veel geld verdiend. Is hij in de crisis allemaal kwijtgeraakt. Woont sinds kort weer braaf bij ons in de polder. Op zijn eentje. Zijn vrouw er vandoor natuurlijk.’
‘Kan best een aardig balletje slaan,’ had hij er aan toegevoegd. ‘Dat klinkt niet slecht,’ vonden wij allemaal,’laat komen die man!’,  maar na de eerste partij had Menno zijn bijnaam al te pakken.
Je moet iets van tennis begrijpen om te weten hoe een etter zich gedraagt. Om te beginnen speelde Menno als een enkelaar. Dat viel nog te vergeven. Minder was zijn smalende lach als je hem daarop aansprak. Ook zijn in-out calls waren verwerpelijk, want allemaal in zijn voordeel. En wat te denken van zijn triomfantelijke gekrijs als hij aan het net een bal mocht afmaken! Een compliment voor zijn maat die hem in positie had gebracht kon er niet af en werd hij zelfgeprezen- in het begin namen we die moeite nog- haalde Menno zijn schouders op.
Een nagemaakte man, een gefnuikte haan. Een en al onaandoenlijkheid. Een faker. Ik herinner me niet dat ik ooit aan iemand een grotere hekel heb gehad dan aan Menno en als je me nog meer voorbeelden vraagt, ben ik nog even bezig. Maar er is iets anders dat ik je wil vertellen.

 

Om vanuit Almkerk, waar de tennisbaan ligt, naar zijn huis te komen sla ik bij de molen af naar Zuilinchem, het dorp waar Menno sinds kort de opgeleukte schuur bewoont die in de schaduw staat van het herenhuis waar hij ooit is geboren en die nu de familie herbergt van een collega- projectontwikkelaar die meer geluk heeft gehad.
Op de hoge dijk rijden mij kolossale vrachtwagens tegemoet. De weg is smal. Goed dat de etter zwijgt. Dat doet hij al de hele tijd sinds we vertrokken zijn bij de tennisbaan.
Mooi zo. Ik concentreer me op het verkeer en het lukt me aardig hem te vergeten.
Plotseling -in een flauwe bocht- meldt hij zich.
‘Hé,’ zegt hij,’ dat watertje daar!’
Hij wijst naar beneden, naar een vennetje.
‘Wil je hier even stoppen?’
Tijdens onze doubles en na afloop aan het bier, bedient Menno zich van het taalgebruik van een overjarige regent. Maar nu komt zijn vraag er zachtjes uit, bedeesd bijna. Ik parkeer de auto.
Menno buigt zich naar voren. Hij zucht,
‘Daar,’ zegt hij,’ onder de wilgen. Daar viste mijn vader altijd.’
Hij veegt zijn wasem van de voorruit.
‘Zijn vaste stek.’
Dwars door zijn deodorant ruik ik zijn zweet.
‘Lieve God, ik zie hem daar zo zitten. Vijftien was ik. Ik kom over deze dijk aangefietst als ik van school kom. Elke dag. Ik zie hem. Hij ziet mij. Hij zwaait naar mij of ik bij hem kom.’
Hij zakt terug in zijn stoel.
Van onder de mouw waarmee hij zijn hoofd afveegt hoor ik zijn gefluister.
‘Niet gedaan, nooit gedaan,’ zegt hij.

 

Roerloos onderga ik de stilte. Ik zie een jongen van vijftien met een schooltas onder de snelbinders. Hij rijdt naar huis, altijd over deze dijk. Zijn vader mist hem, zijn vader wenkt hem, maar hij rijdt door.
Ineens overvalt mij een oude pijn.
Mijn hoofd raakt vol van mijn eigen vader toen hij nog leefde. Zoals zo vaak heeft hij op mij gewacht tot ik ’s avonds laat thuis kom van een feestje. Het gaat niet goed tussen hem en mijn moeder. Hij is alleen, ook nu zoals hij daar zit onder de schemerlamp in de verder donkere kamer.
Hij vraagt mij: ‘kom er nog even bij, jongen, kunnen we nog even gezellig kletsen.’  Voor hij een glas in kan schenken heb ik mijn hand al op de deurklink.
Denkt hij dat ik hem niet heb gehoord? Mijn vader herhaalt zijn vraag.

‘Rij maar weer door,’ hoor ik Menno zeggen. In het wit van zijn ogen lijken adertjes gesprongen.
Wat wil hij? Troost? Een opbeurend woord soms? Horen hoe ik zelf mijn geheugen kwel met die ene vraag waarvan ik het antwoord vrees?

Ik buig me over het stuur en start de motor.

 

Voor hij even later uitstapt, wijst Menno naar beneden. Hij zegt: ‘je zou je auto eens wat beter schoon moeten maken.’

 

Ik laat het lopen.

 

Reageren? Ga naar Facebook