Top
Fragment De aanjagers – Jan Schouten
fade
3719
page-template-default,page,page-id-3719,eltd-core-1.0,flow-ver-1.3,,eltd-smooth-page-transitions,ajax,eltd-blog-installed,page-template-blog-standard,eltd-header-type2,eltd-sticky-header-on-scroll-up,eltd-default-mobile-header,eltd-sticky-up-mobile-header,eltd-dropdown-default,wpb-js-composer js-comp-ver-4.9.2,vc_responsive

Fragment De aanjagers

 

De vestingwerken lagen in een stervorm rond de oude stad. Hoog rezen zij op boven de grachten, waar zij na eeuwenlange vruchteloze paraatheid nu het bos vormden waarin Maria haar wandelparcours had uitgezet. Op de punt van een van de sterren stond het roestige kanon opgesteld dat tweehonderd jaar geleden in de Borinage was gegoten. Gemeentewerken had het zundgat vernageld en de loop volgestort met cement, voor het geval iemand op het idee kwam om weer stenen ballen richting vijand te schieten. Dit gevaarte vormde Maria’s vaste rustpunt op haar dagelijkse wandeling en daarnaartoe was zij onderweg.
 

De enige sterveling in de buurt was de man die de afgelopen maanden meer dan eens haar pad had gekruist, en nu, vergezeld door zijn vuilnisbakrasje, voor haar uit liep. Het baasje had zijn gebruikelijke grauwe winterjas ingeruild voor een rode windbreker, alsof hij die ochtend had besloten dat vandaag de lente was begonnen.
De hondenliefhebber had haar nog nooit aangesproken en Maria hem ook niet. Wel zo rustig.
Stel je voor dat ze ook nog een prietpraatje moest beginnen. Het zweet stond op haar rug en hoeveel meter had zij er helemaal op zitten? Thijs had gelijk, haar conditie was hopeloos.
En wat was er aan de hand met haar geheugen? Rondom haar al die oude bomen met hun pas uitgelopen blaadjes. De eiken herkende ze wel, en ook de beuken, maar die andere met hun merkwaardig geschilferde stammen, hoe heetten die ook weer? Vroeger kon ze alle bomen moeiteloos benoemen.
 

Ze voelde zich gesloopt. Schuld van die verdoemde Four Roses die de slijter samen met de port in zijn feestpakket had gestopt, schuld van de nacht die zij schreeuwend en bijtend en krabbend met Thijs had doorgebracht en die haar leeg had achtergelaten.
Ze stond naast het kanon, dat tot haar borst reikte. Ze legde haar beide handen op het ruwe oppervlak. In een opwelling duwde ze zichzelf op, maar de eerste poging mislukte. Bij de tweede belandde ze boven op de mottige loop.
 

Ze kreeg een tintelend gevoel tussen haar benen, maar lang kon ze er niet van genieten.
De druk op haar middel perste alle lucht uit haar lijf. Hijgend zwengelde ze een been over de loop, zodat ze schrijlings zat, als een ruiter te paard. Onder haar lege colablikjes, condooms en friteszakken. Verderop diep beneden haar de stadsgracht met dobberende eenden. Nog verder de huizen van de nieuwbouwwijk. Haar kruis deed pijn en als ze maar even bewoog voelde ze de krampscheuten in haar kuiten, maar wat kon het haar schelen.
 

Hier zat ze dan, master of the universe. Haar ogen dichtdoen, zou ze het durven?
Een kort moment sloeg de duizeligheid toe, tot ze merkte dat ze in evenwicht bleef als ze niet bewoog en haar spieren ontspande. Een zoel windje op haar huid. Twee merels zongen elkaar toe.
In de verte het geluid van een tractor. Steeds dichterbij kwam het, tot het verflauwde en uiteindelijk wegstierf.
Ze dacht aan eergisteren, toen ze Thijs had wakker gehouden en over Thomas had verteld. Hoe ze was opgegaan in haar herinneringen aan Thomas, aan de nacht waarin hij haar over Miriam had verteld en aan het einde van die nacht, toen het geluk haar ineens tegemoet had gestraald, vol blijdschap, fel en heet. Helaas was ze ook met Thijs naast zich, die nacht weer wakker geworden van de bekende kweldroom: vlak voor de man helemaal is weggezakt in het zand herkent zij hem.
 

Het is Thomas.
 

Hoe vaak had Thomas haar niet gesommeerd te stoppen met haar avances. Lieve God, die wroeging, die spijt. Tot andere gedachten kwam Maria niet en ze vroeg zich af of ze nog wel alleen was. Of had zich rond haar stilletjes een schare mensen verzameld, zich vergapend aan het buitenissige beeld dat zij hierboven toch moest bieden?
 

Ze hield het niet langer uit en opende haar ogen. Eventjes leek de hele wereld nieuw. Ze zuchtte. Niemand te zien. Maar wat zou de wandelaar in zijn rode jack van haar vinden als hij haar zo zag? Of anders Thijs, zou hij haar belachelijk maken? En moest ze dan klagen over haar ochtendkwaal: haar bonkende hoofd, haar lusteloosheid en hoe ze zich door deze malligheid op had willen peppen? Dit was een beter antwoord: Ik heb dit altijd al eens willen doen. Helemaal waar, maar nee, dat ging ze hem niet zeggen. Kon ze een beter antwoord bedenken? Ja. Ja, zij zat op deze vuurmond. Maar waarom?
 

Haar dode Jan had bij leven historische rondleidingen verzorgd door zijn stad. Die had ze vaak genoeg meegemaakt omdat het een ideale manier was om haar verbondenheid met hem te tonen, als dat zo uitkwam, en zodoende wist ze niet alleen waar de door de kunstenaar Baudoin gemaakte gootspoken hingen maar ook op welke historische plek zij zich nu bevond en dat het kanon dat zij bereed ongetwijfeld een opvolger was van een der kanonnen die in 1599 tijdens het beleg van de Spanjaarden Zaltbommel hadden verdedigd.
 

Hier zit u dan, zo sprak zij zichzelf toe. Laten we uw zaak eens helemaal anders benaderen, mevrouw Smit-Garcia. U zit hier niet voor niets, zo hoog en droog en met vol uitzicht over de gracht en de velden, helaas nu volgebouwd. U bent de bevelhebber. Het is 1599. De belegering van de stad Zaltbommel duurt en duurt. In het stadskasteel geniet op dit uur Prins Maurits van zijn ontbijt. Hij heeft geen probleem, zegt hij, want de stad kan nog over de rivier worden bevoorraad. Maar hoelang gaat dat goed? Uw hart bloedt, het volk is de uitputting nabij. Hongersdood en cholera liggen op de loer en als ik eerlijk ben, ook ik ben uitgewoond. Daar buiten ligt de vijand, hoeveel uitvallen heb ik al niet uitgevoerd. Binnen wordt al het eten opgevroten door de soldaten. Als u dan uzelf wilt redden en kiest voor het welzijn van de bevolking, voor de moeders met hun steeds wateriger zog, de magere kinderen op de rand van de dood. Wat staat u dan te doen? U overgeven en lijdzaam toezien hoe de stad wordt geplunderd, de vrouwen verkracht? Of doorgaan met de verdediging en lijdzaam toezien hoe het laatste voedsel door de huursoldaten wordt verslonden en de eerste inwoners de hongerdood sterven? Zelf sterven? Hulp halen? Daar viel veel voor te zeggen. Maar elke hulp heeft een prijs. Vraag daar maar eens om als iedereen van je verwacht dat je zelf de oplossing brengt. O, ze wist zeker, als ze Maurits hulp zou vragen, zou hij haar schofferen. Ja, dat zou hij. Haar degraderen, haar zwaard voor het front van zijn huursoldaten in tweeën breken. De machteloze, dacht Maria. En, vroeg ze zich af: hoe vraag je hulp zonder jezelf bloot te geven?
 

Ineens werd ze door iemand gekust en ze voelde de snelle halen van een ruwe tong over haar gezicht. Ze keek recht in twee blauwe ogen. ‘Weg, jij, Sjippie!’ hoorde ze roepen. Voor een kleine man was meneer Windbreker behoorlijk sterk. Met tegenzin liet ze hem het werk doen. En toen Maria eenmaal stond, moest ze op hem blijven leunen. Lieve hemel, hoelang had zij daar gelegen? ‘Alles goed?’ ‘Ja, dank u,’ zei ze, ‘ik ben oké. Ik was wat duizelig, denk ik.’ De man liet haar los, hield zijn armen breed, klaar om haar op te vangen. Hij keek haar langdurig aan. ‘Eerlijk gezegd denk ik dat er wel wat meer aan de hand is, mevrouw.’ Daar kon Maria hem geen ongelijk in geven. Zich verbijtend van de pijn klopte ze zich af. ‘Nee,’ zei ze, ‘niets aan de hand, hoor. Dank u. Ik red me wel.’
 

Maria was niet naar huis gestrompeld. Nee, om de dooie dood niet. Kaarsrecht, zo wandelde zij naar huis. In stevig tempo, een glimlach om haar lippen. Alles in haar lijf deed pijn. Door haar hoofd spoelde die ene opdracht, die ze zich herinnerde van vlak voor ze van de wereld was geraakt: hulp halen. Hulp halen zonder me bloot te geven…

 

Maria is een succesvolle advocate. Maar ze draagt een verhaal met zich mee. Een verhaal dat ze steeds moeilijker voor zich kan houden, zeker als zich in haar familie ingrijpende gebeurtenissen voordoen. Het verhaal van Maria gaat ver terug en heeft zijn wortels in de chaotische tijd net na de Tweede Wereldoorlog. Een onschuldige, verliefde jongen doet een belofte aan een meisje om hetgeen haar is aangedaan te wreken. De niet-ingeloste belofte is het beginpunt van een geschiedenis waarin mensen niet alleen slachtoffers en daders maar ook — gewild of ongewild — aanjagers zijn. De aanjagers is een originele en aangrijpende psychologische roman, over liefde en verraad, schuld en verantwoordelijkheid, leugens en verhalen, die zich afspeelt tegen de achtergrond van een vergeten periode uit de Nederlandse geschiedenis.

De aanjagers is nu verkrijgbaar in de boekhandel

Koop ‘De aanjagers’ online | Koop ‘De aanjagers’ als ebook