Ontvang de nieuwsbrief!

ZWANENZANG VAN EEN GAZELLE

1 December 2010, 14:18

Ik hoor echt wel bij de buurt. Al tijden sta ik hier. Vol in beeld. Heb je mij ooit gezien, mij, zijn Gazelle?

Het is September. Hij woont boven, mijn lonely hero.
Zijn ramen staan al maanden open. De vitrage wappert bij nacht en ontij. Uitgezakte lappen. Seinvlaggen. Hoe kon ik hun teken ooit begrijpen? Heb jij hem nog gesproken, de laatste tijd?

‘Hij heeft het zelf gedaan,’ hoorde ik zeggen.’ Er kwam een touw aan te pas. Drie weken heeft hij wel gehangen. Of langer. Of korter.’

En ik dan, ooit zijn glanzende paradepaard, wat kan ik nog? Twaalf kilo oud ijzer, op Marktplaats gratis af te halen. Afgetrapt ben ik, even vervallen als het schrale lijf dat mij steeds trager voortbewoog, verroest staketsel. En mijn gescheurde zadel, wie wil dat nog verdragen? Zelf dan maar wegsprinten? Nog een keer een rondje maken? Kansloos! Ik sta op slot, hij heeft de sleutel, mijn held die niet meer naar beneden komt.

Een man komt plaatjes van me nemen. Over zijn schouder kijkt een buurvrouw met hem mee, een leuk mens, dat was wel iets voor hem geweest.
‘Het
was wel erg,’ zegt zij. ‘We hebben om hem ons straatfeest af moeten gelasten.’

Ach ja, het jaarlijkse buurtfeest. Eindelijk eens tijd voor elkaar, een soort Kerstmis. Niks voor mij, wie zal dat bestrijden? Maar die warmte! Hoe graag was ik een keer bij mijn stuur gegrepen en er bijgesleept.

Jan Schouten leest voor:

This text will be replaced


Fotografie: Witold de Man

LIBELLES STEKEN NIET, ZEGGEN ZE.

28 January 2011, 10:45

Moet je zien: Hessing, onze hoofdverpleger, heeft mijn raam
open laten staan!
Je kon er op wachten. Hij is zichzelf niet de laatste tijd.
Maar wat een kans, nu moet het gaan gebeuren!
Zie mijn libelle, zie haar zilveren vleugels, ze trillen van
opwinding. Ze dragen mij straks naar boven, precies zoals papa mij dat had beloofd.
‘Jij bent mijn lieve meid,’ had hij gezegd, ‘hier: een broche, speciaal voor jou- voor als je je wat minder voelt.’
‘En,’  had papa in mijn oor gefluisterd,‘ luisteren, liefje, niet huilen, luister naar papa!
Als je je minder voelt, spreid dan je vleugels. Zweef als een libelle, Francisca, steeds hoger en hoger: als de lichtste veer, als de witste wolk. En denk aan mij. Alles komt goed.’

Van zeven verdiepingen hoog kwam Franziska neer. Hessing was de eerste die haar de volgende morgen vond, languit in het bloemenperk.
Haar hoofd ligt in een wat rare knik. Maar die glimlach om haar lippen! En wat te zeggen van die broche in haar hand? Van een libelle, blinkend in de ochtendzon!

Hessing moest aan zijn eigen dochter denken. Het ging niet
goed met haar, zij was wat minder de laatste tijd.
Hij stak de broche in zijn zak, de patiënte had er toch niks
meer aan. Misschien kon die mooie libelle zijn dochter wat
opvrolijken, nu zij wat minder was.

Jan Schouten leest voor:

This text will be replaced

Fotografie: www.sparkleshop.nl

VOOR ALTIJD, SCHAT

19 December 2011, 14:00

 

     Thomas was vroeger basketballer. Een prof. Een hele goede. Handig dat hij daar zelf soms over begon, vonden de dames van kantoor. Probeer anders maar eens in deze steeds verder vervettende boekhouder, de atleet van weleer te ontdekken.  
    ‘Geloof je me niet? Hier kijk maar, ’aldus de very unattractive single. En dan wijst Thomas naar de vergeelde sportfoto’s op zijn prikbord. ‘Moet je zien: die dunk! Je weet wel: toen,…  Moet je me zien zweven, het beslissende punt in de playoffs. Toen,… weet je nog?.. tegen je weet wel.’
    Niemand interesseerde het een zier.
    Dat gold ook voor de dame die met grote zorgen naar het moment toeleefde dat haar biologische klok het fatale einde ging slaan. Net op tijd had zij Thomas uit een rijtje stamgasten van RelatiePlanet geplukt.

   ‘Ik heet Gertrude, ’zei de vrouw op hun eerste afspraak, ’maar je mag Truus zeggen.’
   Zij beviel hem wel. Zeg-maar-Truus runde een pedicuresalon. Ook top, vond Thomas. Dat paste wel bij zijn zakelijke achtergrond. 
   ‘Truus, ’had hij haar toegefluisterd toen de zoveelste stilte in het gesprek hem pijn begon te doen, ’Truus, ik ben een oorlogskind.’
    Thomas had deze zin ooit in Readers Digest opgepikt. ’Ik heb warmte nodig, ’zei hij nog, ’ik mis het.’
   ‘Daar ben ik niet van, ’zei Truus, ’ik kom uit de koude oorlog.’
    Dat vonden ze allebei wel een leuke ijsbreker.

De derde avond gaf Truus hem een ebbenhouten olifantje. Het hing aan een doublé kettinkje en dat deed zij om zijn nek.
   ‘Hier, speciaal uitgezocht, dit past wel bij jou: een lief klein olifantje.’ 
    Ik, 2 meter twintig en 140 kilo, een lief klein olifantje?, stormde door Thomas heen. Hij moest slikken. Maar, zo bedacht hij zich al snel: wat doen woorden er ook toe. Truus had toch maar de  moeite genomen de stad in te gaan en zij had het cadeautje speciaal voor hem uitgezocht, dat zei ze toch?
   Wist Thomas veel dat deze mens die spoedig de vrouw van zijn leven zou worden, het tierelantijntje uit haar bijouteriedoos had gerommeld, een zwart gelakt kistje, tot de rand gevuld met de glinsterende liefdesbetuigingen van de getrouwde man die zij 13 jaar lang terwille was geweest en die haar zo schandelijk aan de dijk had gezet?
   ‘Goed, goed. Mooi, echt mooi, ’zei hij dus, ’we moeten altijd alles eerlijk tegen elkaar kunnen zeggen, dat is belangrijk.’  
   ‘Dat is je geraden, ’zei Truus en alsof zij schrok van zijn beteuterde gezicht, voegde zij er haastig aan toe: ’ik weet het zeker. Ik houd van je. Ik blijf bij je..voor altijd.’
    Die bekentenis deed Thomas goed.
    Maar waarom stelde hij niet de voor de hand liggende vragen, zoals: ‘Wat zoek je?’ of  ‘Wat wil je van me?’
    Kwamen zij niet bij hem op? Of ontsnapten zij daarom niet aan het bolwerk van zijn gele tanden omdat de oren die deze vragen moesten opvangen zich onmiddellijk na haar liefdesverklaring in de richting van zijn kruis hadden bewogen?

Kort na de geboorte van haar kind begon Truus haar man te castreren. Het mes ontbrak. Maar er zijn andere middelen. Zó was de ontmanning begonnen.
    Op een dag had Thomas zijn vrouw willen verrassen met een geurtje en bij Aalders, de drogist, liet hij zich een viertal parfums op zijn pols spuiten. Allemaal lekker.
    Welke moest hij kiezen? Hij kwam onverrichterzake thuis.
    Nog voor hij bij het avondeten zijn tanden in de schnitzel kon zetten, pakte Truus hem bij zijn arm.
   ‘Wat ruik je, Thomas? Waar ben jij geweest?’
   ‘Bij Aalders,’ zei hij,’ ik wilde je verrassen, maar ik kwam er niet uit.’
    Truus reageerde heel anders dan hij had verwacht.
   ‘Vertel me eens eerlijk, flierefluiter, ’zei zij,’ wie is het?’
    Dat kon Thomas niet- er was niemand anders. Maar hoe hij de geuren had opgelopen en welke bedoelingen hij daarmee had gehad, daarover vertelde hij uitvoerig en onder aansporing van haar steeds indringender vragen tot in steeds kleiner detail. Het mocht niet baten. Eerlijkheid is het grootste gevaar van het huwelijk, zo moest Thomas  ervaren. Een wantrouwige vrouw wordt er radeloos van.
    Die avond sliep Thomas voor de eerste van vele volgende keren in de logeerkamer.

De collega’s stonden voor een raadsel. Waar was de man gebleven die in de eerste maanden van zijn huwelijk zo was opgebloeid?
    En Truus?
    Truus vroeg zich af: waar heb ik hem nog voor nodig? Ik vertrouw hem niet, hij heeft zijn werk al gedaan. Dumpen? Maar ja, moest zij soms leven van de schamele inkomsten uit haar Pedicuresalon?
    Geld en luiigheid in actie, de redders van een huwelijk dat tot in de oneindigheid zou duren en zelfs niet ontplofte toen Thomas op een avond haar aandacht vroeg.
   ‘Ik word een weekje uitgezonden naar Bangkok, ’zei hij, ’de boeken controleren van onze vestiging daar.’
    Dit was de eerste keer dat een dergelijke eer hem te beurt was gevallen en er had trots in zijn stem geklonken.
   ‘Thailand, ’zei Truus, ’jij gaat dus naar Thailand. Geen probleem jongen, ik zorg wel voor het huishouden hier.’
    Thomas heeft grote bleke ogen en die zakten af naar haar mond. Met gemak bespeurde hij de sarcastische trek. Bij toverslag veranderde die in het bekende vertoon van verdriet en ergernis.
    Hij had het er niet over. Zijn enige kans haar gelukkig te maken zag hij in de bereiding van de avondmaaltijd, een taak die op zijn bord was gekomen sinds die ene keer dat Truus heel plotseling en assertief volslagen onverwacht gestopt was met koken en hem, toen hij hongerig naar zijn eten vroeg, had duidelijk gemaakt dat de combinatie pedicure en gezin voortaan te veel voor haar was. Of hij dat soms niet begreep?!
    Ja, dat hat Thomas wel begrepen.

In het vliegtuig had Thomas een plek bij de nooduitgang, zeer aangenaam. Veilig ook. Maar er waren tijdens de vlucht momenten dat Thomas het liefst aan de rode handle had getrokken. Dat had te maken met zijn buurman die het niet alleen nodig vond hem door luidruchtige bestellingen uit zijn slaap te houden, maar hem- toen hij bijna was vertrokken- godbetert ook nog eens had aangestoten.
   ‘Kom op, ’zei de man, ’laten we er een borrel op drinken.’
   ‘Dank U, ’zei Thomas, ’ik sla over.’
    Hij was de beroerdste niet en stelde toch maar de voor de hand liggende vraag.
   ‘Ik ben ontsnapt, ’zei de man, ’ben jij getrouwd?’
   ‘Ja, ’zei Thomas.
   ‘Sterkte!, zei de man. Hij sloeg zijn glas achterover. Slaakte een diepe zucht. ‘Ik ben ontsnapt. Ik ben de gelukkigste man van de wereld.’
    Thomas probeerde het nog eens: ’ontsnapt? Waar aan?’
   ‘Aan het wantrouwen dat altijd zijn gelijk bewijst, ’zei de man die Willem heette.
    Thomas moest Willem met een gezicht vol ongeloof hebben aangekeken en Willem zag dat als een aansporing, kan niet anders, want hij brandde los zonder acht te slaan op Thomas’ greep naar het tijdschriftenzakje.
   ‘Er is altijd een eerste keer, ’zei Willem. ’Bij mij begon het toen ik promotie had gemaakt. De vergaderingen duurden langer. Ik kwam te laat op het eten. ‘Waar ben je geweest?’ Op een receptie stelt een vrouwelijke collega zich aan ons voor? ‘Wie is dat, wat heb je met haar?’ Na een feestje kom ik aangeschoten thuis. ‘Was zij er ook?’ Vriendinnen vertellen haar dat zij mij hebben zien lunchen met een klant die met iedereen het bed induikt. ‘Je hebt een ander, ‘zegt ze. Daarna eindeloos gezeik.
    En pikstraf natuurlijk.
    De eerste 10 jaar heb ik geen enkele andere vrouw aangeraakt. Op een gegeven kwam de terreur mijn strot uit. Ik heb mijn secretaresse toen geneukt. Daar kwam mijn vrouw achter. Weet je, wat het eerste was, dat zij zei?’
   ‘Nee, ’zei Thomas, ’hoe moet ik dat in hemelsnaam weten?’
    De man lachte, maar al te vrolijk klonk het niet.
   ‘Zie je wel dat ik altijd gelijk had, ‘dat was hete eerste dat zij zei. ‘Ik heb het altijd al geweten.
Al jaren, dat zei ze.’
    De man zuchtte. Hij bood Thomas een miniflesje aan.
   ‘Nee, ’zei Thomas, ’liever niet.’
   ‘Ook goed, ook goed, ’zei de man, ‘zo te zien snap je helemaal niet waar ik het over heb. Jij zit denk ik zo gebeiteld, en dan moet je mijn geleuter aanhoren. Sorry, geen pretje. Maar ik zeg je eerlijk, ik ben ontsnapt. Ik ben over de zestig en ik ben getrouwd met een 24 jarige Thaise. In het begin voelde ik niet zo veel voor haar. Maar ik zou haar nu nooit meer willen missen. Voor geen goud.’
   ‘Hoe heet zij?’
    Op deze verrassende vraag gaf Willem geen antwoord. In plaats daarvan weidde hij uitvoerig uit over de kwaliteiten van zijn jonge echtgenote die zo heerlijk verschilden van die van zijn voormalige vrouw.

Hoe stil de man daarna ook bleef, Thomas kon de slaap niet vatten. De hele verdere vlucht niet.

Thomas is terug van zijn zakenreis. Truus zit tegenover hem. Zij heeft hem zojuist gevraagd ‘hoe was het?’ Zijn bonzende hart vertelt hem dat hij haar het liefst alles eerlijk zou zeggen, maar moest hij het meisje noemen? Hoe haar handen voelen en hoe haar lijf met zijn terloopse strelingen hem aait als zij onder de warme douche zijn grote lijf poedelt, en niets overslaat en hoe hij haar zonder gene laat begaan? En de gelukzaligheid die hem duizelig maakt en waaraan hij zich met gesloten ogen overgeeft?
   ‘Op een avond liet ik me na het werk naar een olifantenboerderij brengen, ’zegt hij, ’ik heb gekeken hoe ze de olifanten wassen. Een prachtig gezicht, Truus. Ik ben zo vaak ik kon teruggegaan.’
    Truus kijkt hem aan als een ruiter die zojuist is geschopt door zijn lievelingspaard. Dan begint ze te lachen, veel harder dan Thomas zich van haar kon herinneren.
   ‘Olifanten die gewassen worden, ’zegt zij, ’om te gillen! Je lijkt wel gek. Gaat dat nooit vervelen?’
   ‘Geen enkele keer, ‘zegt Thomas. ’Geen seconde! Ik heb geen dag overgeslagen.’

WONDEN

 
 

Hij heette Menno. Wij noemden hem de etter. 
    Het was mijn beurt om te rijden en nadat ik de twee andere tennisvrienden had afgezet zat ik alleen met hem in de auto. 
    Menno kluifde aan een Mars. Toen hij klaar was likte hij zijn vingers af. Daarna gooide hij de wikkel op de grond.
    De etter dus. Een invaller.
    Onze vaste tennismaat die zich moest afmelden had hem als volgt beschreven:’die jongen heet Menno. Heeft in de Randstad met huisjes veel geld verdiend. Is hij in de crisis allemaal kwijtgeraakt. Woont sinds kort weer braaf bij ons in de polder. Op zijn eentje. Zijn vrouw er vandoor natuurlijk.’
   ‘Kan best een aardig balletje slaan,’ had hij er aan toegevoegd.
   ’Dat klinkt niet slecht,’ vonden wij allemaal,’laat komen die man!’,  maar na de eerste partij had Menno zijn bijnaam al te pakken.
    Je moet iets van tennis begrijpen om te weten hoe een etter zich gedraagt. Om te beginnen speelde Menno als een enkelaar. Dat viel nog te vergeven. Minder was zijn smalende lach als je hem daarop aansprak. Ook zijn in-out calls waren verwerpelijk, want allemaal in zijn voordeel. En wat te denken van zijn triomfantelijke gekrijs als hij aan het net een bal mocht afmaken! Een compliment voor zijn maat die hem in positie had gebracht kon er niet af en werd hij zelfgeprezen- in het begin namen we die moeite nog- haalde Menno zijn schouders op.
    Een nagemaakte man, een gefnuikte haan. Een en al onaandoenlijkheid. Een faker. Ik herinner me niet dat ik ooit aan iemand een grotere hekel heb gehad dan aan Menno en als je me nog meer voorbeelden vraagt, ben ik nog even bezig. Maar er is iets anders dat ik je wil vertellen.

Om vanuit Almkerk, waar de tennisbaan ligt, naar zijn huis te komen sla ik bij de molen af naar Zuilinchem, het dorp waar Menno sinds kort de opgeleukte schuur bewoont die in de schaduw staat van het herenhuis waar hij ooit is geboren en die nu de familie herbergt van een collega- projectontwikkelaar die meer geluk heeft gehad.
    Op de hoge dijk rijden mij kolossale vrachtwagens tegemoet. De weg is smal. Goed dat de etter zwijgt. Dat doet hij al de hele tijd sinds we vertrokken zijn bij de tennisbaan. Mooi zo. Ik concentreer me op het verkeer en het lukt me aardig hem te vergeten.
    Plotseling -in een flauwe bocht- meldt hij zich.
   ‘Hé,’ zegt hij,’ dat watertje daar!’
    Hij wijst naar beneden, naar een vennetje.
   ‘Wil je hier even stoppen?’
    Tijdens onze doubles en na afloop aan het bier, bedient Menno zich van het taalgebruik van een overjarige regent. Maar nu komt zijn vraag er zachtjes uit, bedeesd bijna. Ik parkeer de auto.
    Menno buigt zich naar voren. Hij zucht,
   ‘Daar,’ zegt hij,’ onder de wilgen. Daar viste mijn vader altijd.’
    Hij veegt zijn wasem van de voorruit.
   ‘Zijn vaste stek.’
    Dwars door zijn deodorant ruik ik zijn zweet.
   ‘Lieve God, ik zie hem daar zo zitten. Vijftien was ik. Ik kom over deze dijk aangefietst als ik van school kom. Elke dag. Ik zie hem. Hij ziet mij. Hij zwaait naar mij of ik bij hem kom.’
    Hij zakt terug in zijn stoel.
    Van onder de mouw waarmee hij zijn hoofd afveegt hoor ik zijn gefluister.  
   ‘Niet gedaan, nooit gedaan,’ zegt hij.

Roerloos onderga ik de stilte. Ik zie een jongen van vijftien met een schooltas onder de snelbinders. Hij rijdt naar huis, altijd over deze dijk. Zijn vader mist hem, zijn vader wenkt hem, maar hij rijdt door.
    Ineens overvalt mij een oude pijn.
    Mijn hoofd raakt vol van mijn eigen vader toen hij nog leefde. Zoals zo vaak heeft hij op mij gewacht tot ik ’s avonds laat thuis kom van een feestje. Het gaat niet goed tussen hem en mijn moeder. Hij is alleen, ook nu zoals hij daar zit onder de schemerlamp in de verder donkere kamer. 
    Hij vraagt mij: ‘kom er nog even bij, jongen, kunnen we nog even gezellig kletsen.’  Voor hij een glas in kan schenken heb ik mijn hand al op de deurklink.
Denkt hij dat ik hem niet heb gehoord? Mijn vader herhaalt zijn vraag.

   ‘Rij maar weer door,’ hoor ik Menno zeggen. In het wit van zijn ogen lijken adertjes gesprongen.
Wat wil hij? Troost? Een opbeurend woord soms? Horen hoe ik zelf mijn geheugen kwel met die ene vraag waarvan ik het antwoord vrees?       
    Ik buig me over het stuur en start de motor. 

Voor hij even later uitstapt, wijst Menno naar beneden. Hij zegt: ‘je zou je auto eens wat beter schoon moeten maken.’
    Ik laat het lopen.